Koolstofchemie

3. Karakteristieke groepen

Karakteristieke- of functionele groepen zijn toevoegingen aan de koolstofketen die koolwaterstof een karakteristieke eigenschap geeft. Er zijn veel verschillende karakteristieke groepen en een koolwaterstof kan ook meerdere karakteristieke groepen bevatten. In onderstaande tabel is een samenvatting van een aantal karakteristieke groepen weergegeven. De groepen zijn ook terug te vinden in Binas tabel 66D.

naamgroepvoorbeelden
carbonzuurR-COOHHCCCOHOHHHH
propaanzuur
CCOHOHOO
ethaandizuur
(oxaalzuur)
sulfonzurenR1-SO3HCSOOHOHHH
methaansulfonzuur
CSOHOOOHO
4-sulfobenzoëzuur
zuuranhydridenR1-COOCO-R2H3CCOCOOCH3
ethaanzuuranhydride
amidenR-CONH2
R1-CONH-R2
R1-CON=(R2, R3)
HCCCNH2OHHHH
propaanamide
HCCCHNOHHHHCHHH
N-methylpropaanamide
nitrillenR-CNCCNHHH
ethaannitril
(acetonitril)
HCCHHCHCNHHH
propaan-2-nitril
esterR1-COO-R2HCCOOHHCHHH
methylethanoaat
aldehydeR-CHOHCCCHOHHHH
propanal
HCCCHOHHO
propaandial
(malondialdehyde)
ketonR1-CO-R2HCCCHHHOHH
propanon
HCCCCHHOHHHHH
butaan-2-on
alcohol/
fenol
R-OHHCCOHHHHH
ethanol
HCCCHHHOHHHH
propaan-2-ol
thiolenR-SHCCSHHHHHH
ethaanthiol
CCSHHHCHHHSHH
propaan-1,3-dithiol
amineR-NH2CHCCHNH2HHHHH
propaanamine
CNH2CHCHHHHHH
propaan-2-amine
etherR1-O-R2COCHCHHHHHHCH3
2-methoxypropaan
CHOCCCHHHHHHHHH
ethoxyethaan
(diethylether)
halogenenR-(F, Cl ,Br, I)CClHHH
chloormethaan
CHCFHCBrHHHH
1-broom-3-fluorpropaan
nitroR-NO2CCNO2HHHHH
nitroethaan
NO2
nitrobenzeen

Wanneer een koolwaterstof een enkele karakteristieke groep bevat dan krijgt wordt deze aangegeven met een achtervoegsel (zie bovenstaande tabel). Wanneer het molecuul meerdere karakteristieke groepen krijgt alleen de belangrijkste groep het achtervoegsel (zie Binas tabel 66D). De minder belangrijke groepen krijgen dan het voorvoegsel. Wanneer er meer dan drie verschillende karakteristieke groepen zijn dan worden de voorvoegsels gesorteerd op alfabetische volgorde en dus niet op prioriteit.

3.1. Halogeniden

Wanneer halogenen bindingen vormen met koolwaterstoffen dan worden deze aangeduid als halogeniden. De halogeniden met fluor en chlooratomen hebben een licht polair karakter door de elektronegativiteit van beide halogenen. Toch is het polair karakter niet groot genoeg om de oplosbaarheid in water aanzienlijk te verhogen. Halogeenverbindingen dragen dus weinig bij aan de oplosbaarheid van koolwaterstoffen.

Halogeenverbindingen in koolwaterstoffen worden altijd aangeduid met een voorvoegsel. Wanneer verschillende halogeenverbindingen voorkomen dan wordt de algemene regel gehanteerd dat de naamgeving op alfabetische volgorde verloopt. De halogenen met de grootste massa hebben een hogere prioriteit met jood als uitzondering, dus de prioriteit van laag naar hoog is: I < F < Cl < Br.
C 3 C 2 1 C F 1-broom - 2-chloor - 3-fluor ethaan H 1 H 4 1 Cl H 4 Br H H
Zo heeft broom in bovenstaande structuurformule de hoogste prioriteit en krijgt deze het laagste nummer.

Geef de naam van onderstaande structuur.
H6CCCCCBrClBrHHHHHHHH
Uitwerking
De naamgeving gaat op alfabetische volgorde. De telling wordt zo laag mogelijk gehouden.
H6C12CC3C4C5BrClBrHHHHHHHH1,4-dibroom-4-chloorpentaan

3.2. Polaire groepen

Zoals in het hoofdstuk Chemische Bindingen is besproken, kunnen zuurstof, stikstof en fluor waterstofbruggen vormen. De aanwezigheid van deze atomen in de karakteristieke groepen verhoogt ook de oplosbaarheid en het kookpunt van de stoffen, met uitzondering op koolwaterstoffen met fluorverbindingen. De polaire groepen kunnen namelijk waterstofbruggen vormen met water wat de oplosbaarheid bevordert. Kleine polaire koolwaterstoffen zijn daarom ook goed oplosbaar in water. Grotere koolwaterstoffen zijn echter minder goed oplosbaar door de apolaire koolstofketens.

3.2.1. Alcoholen en fenolen

Wanneer een hydroxyl-groep (OH) wordt toegevoegd aan een koolwaterstof behoort deze tot de alcoholen. Een alkaan met een OH groep wordt ook wel aangeduid als alkanol. De stoffen binnen deze groep krijgen dan het achtervoegsel -ol of het voorvoegsel hydroxy-. Wanneer de OH groep aan een benzeenring wordt gekoppeld verandert de naam echter naar fenol.


Voorbeeld 8. Structuur van 2-methylbutanol

Teken de structuur van 2-methylbutanol.
Uitwerking
Stap 1: De aanduiding but geeft aan dat de hoofdketen uit vier koolstofatomen is opgebouwd.

CCCC

Stap 2: Het achtervoegsel -ol betekent de OH groep de belangrijkste groep is en deze als eerste wordt getekend. Gezien er geen positie is aangegeven wordt deze toegevoegd aan het uiteinde van een keten.

CCCCHO

Stap 3: Voeg aan het tweede koolstofatoom een methylgroep (CH₃) toe. Begin met het tellen vanaf het koolstofatoom met de OH groep.
CCCCHOCHHH

Stap 4: Alle groepen zijn nu getekend dus de rest wordt nog verzadigd met waterstofatomen.
CCCCHOCHHHHHHHHHHH


Opmerking: Het waterstofatoom wordt meestal wel aan zuurstof getekend, maar de waterstofatomen aan de koolstofatomen van de keten niet. Zo kan het molecuul ook al volgt worden getekend:
CCCCHOC

Daarnaast zijn de alcoholen in te delen in klassen, zo bevatten primaire alcoholen een alcoholgroep aan het uiteinde van de koolstofketen. Bij secundaire alcoholen bevindt de -OH groep zich in het midden van een koolstofketen. Bij een tertiaire alcohol is het koolstofatoom met de -OH groep alleen maar gebonden is aan andere koolstofatomen en bevat geen waterstofatomen.


In andere woorden, de klasse alcohol neemt toe na mate het koolstofatoom met de alcoholverbinding verder is gesubstitueerd. Gesubstitueerd verwijst hier naar het aantal waterstofatomen dat is vervangen door koolstofatomen in het koolstofatoom met de -OH binding.

Het smelt- en kookpunt neemt toe doordat de hydroxylgroepen polair zijn en dus waterstofbruggen kunnen vormen. Daarnaast bevordert dit ook de oplosbaarheid in water. Kleine alcoholen zijn dan ook goed oplosbaar in water. Zo heeft bijvoorbeeld butanol een kookpunt van 391 K (117 °C) terwijl butaan al verdampt (kookt) bij 273 K (−0,5 °C).


De oplosbaarheid kan echter worden verhoogd door steeds meer OH groepen te blijven toevoegen. Zo is glucose (C6H12O6) bijvoorbeeld een vaste stof op kamertemperatuur terwijl hexaan (C6H14) dan een vloeistof is.

3.2.2. Aldehyden en ketonen

Wanneer een koolstofatoom een dubbele binding vormt met zuurstof vormt deze een carbonylgroep (C=O). Afhankelijk van de positie van de carbonyl in de koolwaterstof worden deze ingedeeld in de aldehyden of ketonen. Zo bevat een aldehyde een carbonyl aan het uiteinde van een koolwaterstof en deze krijgt dan het achtervoegsel -al. Zo wordt propaan met een aldehyde propanal. Wanneer de carbonyl-groep wordt verplaatst naar het tweede koolstofatoom dan behoort de stof tot de ketonen en verandert de naam naar propanon.


Voor de aldehyden en ketonen worden een gelijke voorvoegsel oxo- gebruikt. Echter, de aldehyden hebben een hogere prioriteit. Zo krijgt bijvoorbeeld pentaan met een carbonyl groep aan het uiteinde van de keten en aan het derde koolstofatoom de naam 3-oxopentanal.


Het onderscheid tussen aldehyden en ketonen wordt onder andere gemaakt doordat aldehyden zeer reactief zijn, terwijl dit niet altijd het geval is met ketonen. De carbonyl-groep vormt een goede waterstof donor, maar geen acceptor en de daarom zijn deze minder goed oplosbaar dan de alcoholen.

3.2.3. Carbonzuren

Een combinatie van de carbonyl (C=O) en hydroxyl (-OH) groep is de carboxyl (-COOH) groep, of ook wel carbonzuur genoemd. Koolwaterstoffen met een carbonzuur worden ook wel alkaanzuren genoemd. De carbonzuur is de groep met de hoogste prioriteit en stoffen een carbonzuur krijgen het achtervoegsel -zuur. Bij het tellen van het aantal koolstofatomen in de hoofdketen wordt het koolstofatoom van het carbonzuur ook meegerekend. Benzeenringen met een carbonzuur krijgen de naam benzoëzuur.


Wanneer een koolwaterstof meer dan drie carbonzuren bevat verandert de het achtervoegsel naar -carbonzuur. In dit geval worden de koolstofatomen van de carbonzuren niet meer meegeteld in de naamgeving.


Ondanks dat de carbonzuren de groepen zijn met de hoogste prioriteit kan het voorkomen dat het voorvoegsel carboxy- wordt gebruikt. Dit komt wel voor wanneer de carboxylgroep deel uitmaakt van macromoleculen (grote moleculen).

Carbonzuren zijn polair en maken koolwaterstoffen meer hydrofiel, dus zijn goed oplosbaar in water. Kleine alkaan worden worden ook wel gebruikt in zeep om vetvlekken te emulgeren. De hydrofobe koolstofstaart zorgt ervoor dat vetten worden ingesloten terwijl de carbonzuren interacties aangaan met water. Dit betekent ook dat sommige alkaanzuren zowel oplosbaar zijn in water als in vetten en worden dan ook wel amfolyten genoemd.

Daarnaast kunnen carbonzuren dimeren vormen door onderlinge waterstofbruggen te vormen.


De naam carbonzuur komt van dat deze groepen een stabiel anion kunnen vormen en daarom een H+-ion kunnen afstaan. De gevormde zuurrest-ion wordt namelijk gestabiliseerd door delokalisatie van elektronen. Dit zorgt er ook voor dat carbonzuren relatief stabiele zouten kunnen vormen.

3.2.4. Aminen en amiden

Koolwaterstoffen met een stikstofbinding behoren tot de aminen of amiden. Wanneer een koolwaterstof alleen een stikstofbinding heeft met waterstof wordt de stof een amine genoemd. Een amide lijkt erg op een carbonzuur, maar de -OH groep wordt hier vervangen door een -NH2 groep.


Net zoals de alcoholen kunnen ook de aminen worden ingedeeld in klassen. Alleen werkt deze indeling iets anders. In dit geval worden de klassen namelijk ingedeeld op het aantal gesubstitueerde waterstofatomen in de stikstofbindingen. Dit geldt ook voor de amiden.


Voorbeeld 9. Structuur van 3-aminopropaanzuur

Uit de naam 3-aminopropaanzuur kan worden afgeleid dat twee karakteristieke groepen worden toegevoegd. Het achtervoegsel zuur wijst op de aanwezigheid van een carbonzuur en een amine groep uit het voorvoegsel -amino.

De naam propaan geeft aan dat het koolstofskelet bestaat uit drie koolstofatomen.
CCC
Het achtervoegsel -zuur geeft aan een carbonzuur (COOH) moet worden toegevoegd. Dit is de belangrijkste groep en wordt dus als eerst getekend en vertelt dat het aantal koolstofatomen van rechts naar links worden geteld.
C3C21COHO
De 3-amino geeft aan dat de amine groep gelokaliseerd is op het derde koolstofatoom. In dit geval is dat aan het uiteinde van het koolstofskelet.
C3C21COHOH2N
Alle groepen zijn getekend, de resterende koolstofatomen worden aan het eind nog verzadigd met waterstofatomen.
C3C21COHOH2NHHHH

Zoals de alcoholen en carbonzuren zijn de aminen en amiden ook goed oplosbaar in water. Doordat een amine meer waterstofbruggen kan vormen zijn aminen in het algemeen beter oplosbaar in water dan alcoholen. Hetzelfde kan worden gesteld over de amiden.

Test je kennis


A
Geef de systematische naam van onderstaande stoffen.
HCOHHH

CCCHOHHHHOHHH

CCClHHH

CClCClClOHHH

CCCCCCHCClClBrHCCHHHHHHHHHHHHHHH

C
Tetra is de triviale naam voor CCl4 en wordt gebruikt ook wel als oplosmiddel. Geef de systematische naam van de stof.

A
Verklaar dat het kookpunt stijgt na mate meer polaire functionele groepen worden toegevoegd aan een koolwaterstof.

Polaire groepen kunnen waterstofbruggen dat sterkere bindingen zijn dan vanderwaalsbindingen. Hoe meer polaire groepen, hoe meer waterstofbruggen en dus hoe hoger het kookpunt waarschijnlijk zal zijn.


C
Perchloorethyleen vormt een doorzichtige vloeistof met een hoge dichtheid. Het molecuul is afgebeeld in onderstaand figuur.
ClClClCl
Perchloorethyleen is echter de triviale naam van de stof.
Geef de systematische naam van de stof.

D
Geef de systematische naam van onderstaande stoffen.
OHCCCHHHHHHH

HOOOH

H3COHO

HCCHHOCH2H3C

C
Het meest eenvoudige aminozuur is glycine.
H2NCCOHOHH
Geef de systematische naam van glycine.

C
Geef de systematische naam van onderstaande stof.